De Cultuur van Emmen

De Cultuur van Emmen

Wil de echte Emmenaar opstaan?

13 maart 2013
 

Verslag

Vooraf was de vraag hoe het nu eigenlijk gesteld is met de identiteit van Zuidoost-Drenthe. Is het inderdaad een zaak van turf, jenever en achterdocht, ingesleten door de harde jaren in het veen? Of is dat een misvatting? En waarom is iedereen eigenlijk zo hard op zoek naar een eigen identiteit?

Om met die laatste vraag te beginnen: voor het antwoord daarop kom je al snel bij Herman Pleij terecht. De 70-jarige emeritus hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde uit Hilversum besprak met humor en vaart de Nederlandse cultuur en identiteit en hoe buitenlanders tegen ons aankijken.

Volgens Pleij is de zucht naar een eigen identiteit nergens zo groot als in Nederland. “In elke familie is wel iemand bezig met het uitpluizen van de stamboom. De eigen herkomst staan centraal", vertelde hij. Volgens hem is het een reactie op de ontzuiling in de jaren zestig en zeventig, toen mensen hun vaste rituelen en houvast kwijt raakten. “Daarom is de verenigingsdrang in ons land ook zo enorm groot, veel groter dan in andere landen. Een Nederlander is gemiddeld lid van zes tot tien verenigingen. Iedereen, iedere club wil zich onderscheiden."

Dat keert ook terug in het koesteren van het eigen dialect, zo hield hij de zaal voor. “De helft van de dialecten die een Europese erkenning heeft gekregen, komt uit Nederland.”

Natuurlijk kon Pleij niet om de turf, jenever en achterdocht heen. Die argwaan noemt hij typisch voor Twente en Drenthe. "Eerst de kat uit de boom kijken. Jullie noemen het zelf bescheidenheid." Maar als je door die argwaan heen komt, dan heb je ook wat bereikt. "Drenten willen heel moeilijk branden, maar áls ze eenmaal branden, gaan ze nooit meer uit."

Na de landelijke invalshoek was het aan Michiel Gerding, provinciaal historicus en kenner van de veengeschiedenis, om de wording van de Zuidoostdrentse identiteit vanuit een regionale invalshoek te bekijken. Hij stelt dat ons beeld van het leven in het veen, het leven van turf, jenever, achterdocht en armoede, voor een belangrijk deel is gebaseerd op mythes en clichés.

Volgens hem zijn er periodes geweest, met name in de crisisjaren, dat het beeld klopte. Maar uit allerlei onderzoek is gebleken dat het in andere periodes helemaal niet zo slecht vertoeven was in het veen. Gerding citeerde onder meer uit allerlei dagboeken van veenarbeiders waaruit dit blijkt. Zo was het geboorte- en sterftecijfer in het veen bijvoorbeeld zeker niet slechter dan in de rest van Nederland.

Volgens Gerding zouden we misschien wel anders moeten kijken naar onze lokale historie. Een nieuwe blik op de veenontginning, met het accent minder op armoede en slechte leefomstandigheden en meer op de enorme prestaties, dynamiek en pioniersgeest.
 

Reacties